• Historie van Samoëns
    25 sep '11
    • Goudzoekers Een Vd 1e Hotels Ancien Samoens Klein

      Historie van Samoën

      Hoewel meer en meer migranten in de 19e eeuw met verschillende redenen naar de Giffre vallei trokken, hadden ze allemaal te maken met het zware leven zo dicht bij de natuur. Velen waren in die tijd boer maar beroepen als steenhouwer, mijnwerker, marskramer en smokkelaar leken aanlokkelijke opties om het zware en onzekere boerenleven vaarwel te zeggen.

      Goudkoorts

      Net als in de rest van de wereld sloeg de goudkoorts in de 19e eeuw ook in de Alpen toe. Om precies te zijn in 1807, kwam de mijnbouw-gekte goed op gang kwam in de vallée du Giffre. De mijnwerkers zochten naar zilver, lood, koper, ijzer en natuurlijk goud. Verschillende eigenaren stonden aan het hoofd van succesvolle en winstgevende mijnen, waar arme mijnwerkers aan de slag waren in gevaarlijke omstandigheden. Zo vond Jaques Balmat, de eerste beklimmer van de Mont Blanc, de dood toen hij op 72 jarige leeftijd rondom de toppen van de Mont Ruan op zoek was naar glimmende goudklompjes. De delvingsperiode duurde niet lang; na ongeveer vijftig jaar was het in 1853 zo goed als gedaan met zoektocht naar goud. Onder aan de Col du Cou, net achter refuge de la Golèse vind je een gebied die haar naam nog dankt aan dit tijdperk; les mines d'or, wat 'de goudmijnen' betekent.

      Tailleurs des pierre

      Een andere veel gebezigde ambacht in Samoëns en omgeving in deze periode was het steenhouwen. In de 19e eeuw was er een grote generatie steenhouwers die zich gevestigd had door de hele Giffre vallei. Hun reputatie reikte verder dan alleen de bergen. Zomers verlieten ze namelijk de vallei om te werken aan wegen en op bouwplaatsen door heel Europa. Deze vorm van emigratie was typisch voor de regio van de Haut-Giffre. Nog steeds zijn er in Samoëns veel bouwwerken en achternamen terug te vinden die verwijzen naar de rijke periode van de tailleurs des pierre. Iedere zomer organiseert de lokale VVV “le spectacle de la sculpture sur pierre”.

      De eerste toeristen

      Net als vele andere berggebieden, werd ook de Vallée du Giffre ontdekt door de eerste Engelse toeristen. In 1854 ontdekte de stichter van de Engelse alpinistenclub Alfred Wills, de vallei van Sixt fer à Cheval. Hij bouwde hier een klein chaletje waar hij met regelmaat Engelse toeristen ontving waarmee hij de bergen introk. Sindsdien stond ook dit gedeelte op de Engelse toeristische kaart en kwamen de eerste toeristen af op de schitterende natuur die in de vallei te vinden was. De locals gidsden de bezoekers rond op mooie wandelingen naar verschillende toppen en begonnen hun huizen aan te bieden als chambre d'hôtes. Al snel ontstonden de eerste hotels en in de decennia die volgenden startte de bouw van de eerste refuges en de spoorweg van Annemasse naar Sixt fer à Cheval. De trein was in die tijd hét vervoermiddel om toeristen naar verschillende trekpleisters te brengen. Met de bouw van de spoorlijn en haar stations werd het toerisme een belangrijke inkomstenbron voor de vallei en haar bevolking.

      Les septimontains

      Als logisch gevolg van de groeiende bedrijvigheid, nam ook de bevolkingsgroei toe. De groeiende groep migranten ging zich verspreid vestigen over de 7 gehuchten rondom het huidige Samoëns. Deze hameaus lagen op de zuid- en noordhellingen en bestonden uit boerderijen en huizen gebouwd op de vlakkere alpenweiden die her en der te vinden waren. De huidige bewoners danken hun bijnaam “septimontain” aan deze 7 in vroeger tijden gestichtte berggehuchtjes. Generatie op generatie hield men zich bezig met het ontginnen en cultiveren van land om hierop akkerbouw en veeteelt te bedrijven. Hoewel het klimaat eigenlijk niet ideaal was voor het bedrijven van veeteelt, ontstond er toch een behoorlijke melkvee industrie. Hierdoor waren de opbrengsten klein en de kleine natuurrampen, zoals overstromingen en aardverschuivingen, die zich steeds weer voordeden maakten het er niet beter op.

      Het groene goud

      De bewoners gingen hun werk meer en meer organiseren en de kennis nam steeds meer toe. Zo kwam men erachter dat de dieren afhankelijk van het jaargetijde op verschillende hoogten kwalitatief goed voer konden vinden. Daarom bouwden de boerenfamilies 3 huizen waarover ze zich gedurende het jaar verplaatste, op zoek naar het “groene goud” voor de dieren. Het eerste huis, de hoofdboerderij lag in de vallei of in ieder geval op de lager gelegen hellingen: Zomers werd het gras hier gemaaid als hooi voor de winter, met een tweede maaiperiode in de herfst. In het voorjaar werd de kudde bergop verplaatst (“montagnage”) naar de “foris”; kleine chalets omringd door alpenweiden gelegen op middelmatige hoogte. Tenslotte werd de jaarlijkse cyclus afgesloten door het vee (en alles wat erbij kwam kijken) te verplaatsen naar het hooggebergte. Aan het begin van de zomer, net na het smelten van de sneeuw is het gras hier voedzaam en voldoende hoog. Zodra in de herfst de eerste sneeuw weer ging vallen, daalde het vee weer af (“démontagnage”) naar de hoofdboerderij, om de kou en de sneeuw te ontvluchten voor een comfortabel(er) verblijf in de stal.

      Tot op de dag van vandaag zijn er in Samoëns en omgeving boeren te vinden die net als 150 jaar geleden met hun vee bergopwaarts trekken om de zomer door te brengen in kleine chalets, verstoken van tv, centrale verwarming en internet. Breng als je in Samoëns bent eens een bezoek aan het Ecomusée en leer veel meer over de historie van deze authentieke omgeving!